H 3.1 Inleiding tot de evolutietheorie.
Mijn uitgangsstelling is: het ontstaan van iets dat door God is geschapen, is niet toegankelijk is voor wetenschappelijk onderzoek.
Stel je voor: een geleerd en hoog ontwikkeld persoon neemt plaats voor een enorm groot schilderij. Hij vraagt zich af hoe dit schilderij kan zijn ontstaan. Gezien de omvang en gedetailleerdheid van het werk kan en wil hij niet geloven dat het door een kunstenaar is gemaakt. Hij weet: het bestaat uit verf. Dit moet witte verf geweest zijn omdat wit alle kleuren van het zichtbare spectrum bevat. Hij veronderstelt dan dat een enorme pot witte verf in de ruimte stond en dat door een grote, toevallige ontploffing de verf naar alle kanten is gespat. Dankzij het bestaan van de muur werden de ultra fijne spettertjes opgevangen in een patroon dat bepaald werd door het reliëf van de muur. Nu werden sterrenstelsels, zonnen, planeten, levende wezens en mensen zichtbaar. Welk een wonderbaarlijke samenloop van toevalligheden!!
En: Wie leverde die pot verf en bouwde die muur? Wie deed de ontploffing ontstaan?
Ter adstructie voor boven weergegeven stelling:
1. Licht. Licht is een elektromagnetische straling of deeltje die zich voortbeweegt met een snelheid van 300.000 km per sec. In 1 sec. ruim 7 keer rond de aardbol. Het blijft een fundamentele vraag of de lichtsnelheid in vacuùm een absolute constante is. Volgens de oerknalfantasie (zonder enig natuurwetenschappelijk bewijs) ontstonden er binnen enkele miljardsten van seconden variaties in de losgebroken energie en botsingen tussen klonteringen van deeltjes. Ergens ontsdonden toen de eerste lichtdeeltjes (fotonen).
2. Het waterstofatoom H+. Dit komt alleen in de interstellaire ruimte voor. In de aardatmosfeer voegen 2 atomen H+ zich samen tot H2-moleculen. Een dergelijk molecuul bestaat uit 2 protonen en 2 elektronen.
Een proton bestaat uit de elementaire deeltjes 2 up quarks (met lading 2/3 e) en 1 down quark (met lading -1/3 e). 99% van de massa van de 3 quarks wordt gebruikt voor hun kinetische energie en voor de krachtvelden tussen de quarks (de gluonen)
Belangrijke vraag is of de quarks op hun beurt weer bestaan uit preonen. Hiervoor is nog geen bewijs geleverd. Naast de hieronder weergegeven deeltjes worden nog diverse andere onderscheiden.

Er zijn nog steeds natuurkundigen die ernstig twijfelen aan het boven weergegeven model omdat ze niet of moeilijk in overeenstemming te brengen is met de relativiteitstheorie van Einstein.
Grote vraag blijft hoe deze deeltjes samen een geordend en perfekt met elkaar samenwerkend geheel vormen. Kunnen ze uit elkaar zijn ontstaan? Of waren ze er door een natuurwonder opeens allemaal tegelijk? Kunnen deze deeltjes los van elkaar afzonderlijk bestaan?
Dorine Schenk noemt de neutrino's in haar boekje in de Pocket Science 'spookdeeltjes'.
Alleen al door je duim vliegen elke sec. 100 miljard neutrino's. Ze komen vrij bij kernreacties in de zon en in kernreactoren op aarde. Ze komen ook vrij als sterren botsen en als ze eindigen in een
superexplosie. We stralen zelf neutrino's uit dankzij radioactief verval van Ka en Ca. De massa van een neutrino werd zo nauwkeurig mogelijk bepaald in een instrument van 23 m. lang, 10 m. breed en 200 ton zwaar. Ze bleek een gewicht van één miljoenste van een e-; niet zwaarder dan 0,12 elektronvolt (eV). Dat is het onvoorstelbare kleine getal van 2x10(-37). oftewel een 1 met 37 nullen. Om neutrino's op te sporen werd gebruik gemaakt van b.v
- een vat met 50.000 ton water 1 km. onder de grond (in Japan)
- honderden meters KM3NeT-lijnen in de Middellandse Zee
- 378.000 liter schoonmaakmiddel in een mijn in South Dakota op 1475m. diepte
Bij botsingen van een neutrino op een elektron (e-) vliegt het e- met grote snelheid weg,
bij botsing op een neutron verandert het neutron in een proton + een e-'
Pionen zijn de overbrengers van de sterke kernkracht. Ze vallen bijna onmiddellijk uiteen in een muon en een neutrino.
Om onopgeloste vragen rond het 'stanaardmodel' op te lossen is de snaartheorie bedacht.
De snaartheorie verenigt de algemene relativiteitstheorie en de kwantummechanica. Ze probeert de 4 fundamentele natuurkrachten (de elektromagnetische kracht, de sterke en zwakke kernkracht en de zwaartekracht) in 1 theorie onder te brengen. Ze gaat er vanuit dat de deeltjes op zeer kleine schaal trillende snaartjes zijn. In dit model komt er een extra deeltje bij: het graviton. En: er moeten meer dan 3 ruimtelijke dimensies zijn, nl. minstens 9. Als de theorie wordt opgelost kan het geheel van al het bestaande met 1 formule worden beschreven. Kunnen de gekste dromen hiermee werkelijkheid worden?
Zoals b.v teleportatie, tijdreizen, wormholes en door muren lopen?
3. Alle elementen waaruit zowel de aardbol, de levende wezens en de sterren en planeten bestaan zijn door natuurwetenschappers samengebracht in een prachtig, harmonieus periodiek systeem.

De gedachte dat een dergelijk harmonieus geordend geheel van elementen zou kunnen ontstaan via ongeordende botsingen van energieklompjes is een heel merkwaardige. Geen enkel natuurwetenschappelijk bewijs is mij daarvoor bekend. Bedenk daarbij nog de mogelijkheden van vele elementen om licht te kunnen absorberen en reflekteren (daardoor ze materialen kleur verlenen; een absolute voorwaarde voor het leven en samenleven van levende organismen). Nog wonderlijker zijn alle verbindingen tussen elementen die vereist zijn om de vele moleculen te vormen waaruit zowel de anorganische als de organische wereld bestaan. En zonde afstemming van de anorganische wereld op die van de levende wezens is de levende wereld ondenkbaar!
4. Voor het ontstaan en voortbestaan van de gecompliceerde organische moleculen (vanuit CO2 , suikers, zetmeel, cellulose, vetten, aminozuren, eiwitten, enzymen, nucleïnezuren, DNA, RNA enz. enz.) is een nog niet bestaand denkkader vereist. De processen die plaats vinden zoals verbranding, koolstofassimilatie, eiwitsynthese en de bijbehorende bouw van celonderdelen en -structuren zijn via toevallig ontstaan en op elkaar ingrijpen volldig onvoorstelbaar. Alles moet zowel in tijd en op plaats van bestemming perfekt op elkaar zijn afgesteld.
Elk botje, bloedvaaatje, spiertje, kliertje, haartje, weefseltje enz. moet perfekt harmoniëren met alle andere. En functioneel met elkaar samenwerken.
En dat zowel bij de ontwikkeling vanuit 1 cel (vaak een bevruchte eicel) als de hele verdere ontwikkeling van het organisme. Bedenk daarbij ook de bijne oneindige variatie in voortplantingsprocessen en -technieken.
5. Fossielen in de aardlagen kunnen geen bewijs leveren voor het ontstaan van een organisme. Ze zijn nu eenmaal dood. Alleen de fantasie kan verbindingen leggen tussen de miljoenen uitgestorven organismen. De fantasie werkt probleemloos. Ze accepteert ook geen tegenbewijs. Tegenbewijs is bovendien niet te leveren. Fossielen in op elkaar gestapelde aardlagen voegt geen bewijskracht toe. Omdat de volgorde van aardlagen vaak onzeker is vanwege gewelddadige processen (vulkanisme, orogenese, aardbevingen, vloedgolven, overstromingen, continentverschuivingen enz.) en omdat opeenvolging van (verwante) organismen geen wetenschappelijk bewijs is voor het ontstaan vanuit elkaar.
6. De evolutie van de grote groepen organismen (hoofdafdelingen, klassen, orden, families en geslachten) van zowel schimmels, planten en dieren is onwaarschijnlijk en volledig onbewezen!
Denk b.v. aan het ontstaan van insekten (vlinders, libellen, vliegen, kevers, sprinkhanen etc.) vleermuizen, mollen, zeehonden, walvissen, paarden, giraffes, panters, kangoeroes etc.
Mossen, varens en zaadplanten kunnen evenmin door toevallige en heel geleidelijke processen ontstaan.
Zelfs binnen de families van bedektzadigen is een evolutiereeks niet op te stellen.
Het welbekende boek Wilde bloemen van de wereld door Dr. B.D. Morley (1970 uitg. Elsevier) beschrijft 16 fundamentele en afgeleide kenmerken van zaadplantenfamilies. Daarbij wordt als kernbegrip de nietzeggende term primitiever gebruikt voor alle kenmerken. De Angiospermen kunnen volgens de schrijvers worden gerangschikt in een systeem dat grofweg de evolutionaire verwantschap tussen de verschillende groepen weersdpiegelt. Dit wordt verderop wel enorm gerelativeerd door de opmerkingen:
- sommige families hebben een onbekende oorsrong
- sommige families nemen een intermediaire plaats in tussen andere
- sommige families zijn verwant met een heel netwerk van andere families
- sommige families hebben geen duidelijke verwanten.
Bijna grappig is om dan te vernemen dat de 4 bovengnoemde situaties enorme aantallen families betreft.
Een duidelijk v.b.: Fagaceae, Corylaceae en Betulaceae worden door soommige botanici behandelt als zeer primitief vanwege het ontbreken van grotere, kleuriger bloemdelen met honingklieren. Dit alles vanwege windbestuiving. "In het algemeen is men echter eerder van mening dat ze hoog ontwikkeld zijn .......". Aldus de schrijvers.
7. De gedachte aan het ontstaan van de aarde vanuit een vuurbal in de ruimte is volledig in strijd met de Openbaring van de HEER God zelf in Gen. 1. De nieuw geschapen aarde was omgeven met een grote watermantel waarover Gods Geest zweefde.
De afkoelende aardbol zou vele landgebieden (b.v. Columbia en Rodinia) hebben doen ontstaan die zich door botsingen en herhaald uiteengaan uiteindelijk samenkwamen in Pangea.

bron Wikipedia.
In de noordelijke gebieden van Pangea overheersten grote naaldwouden, in de zuidelijke gebieden de Glossopteris Bossen.

bron Wikipedia.
Heel Antarctica was omring door de Glossopteriswouden. Heel het wereldrijk Pangea had een min of meer gematigd klimaat. Dankzij zeestromingen rondom de toenmalige wereld. Toen de landdelen uiteen schoven ontstonden de huidige werelddelen. Sommige "continenten" (b.v. Australië en India) verhuisden naar andere gebieden. Deze continentverschuivingen gingen gepaard met orogeneseprocessen. Tijdens deze processen vonden vele, soms gigantische vulkaanuitbarstingen plaats gecombineerd met aardbevingen en overstromingen.
Dankzij deze gebeurtenissen vonden regelmatig extinctieperioden plaats. Daarbij stierven soms tot 90% van al de organismen uit. Het mag duidelijk zijn dat al deze processen rond de huidige continentvorming volledig in strijd zijn met het ons geopenbaarde scheppingsgebeuren in Gen. 1
God rustte van Zijn arbeid en alles was zeer goed.
We moeten ons bovendien realiseren dat het evolutionair ontstaan van een geestelijk levend organisme (met zelfbewustzijn, taal, humor, geloof, hoop en liefde of haatdragendheid) vanuit het dierenrijk absoluut onmogelijk is.

H 3.2 De evolutietheorie van Darwin.
Twee factoren spelen volgens Darwin een rol bij het optreden van variaties:
- de aard van het organismen
- de aard van de omstandigheden.
Aan de hand van rassenverschillen bij paarden probeert Darwin aannemelijk te maken dat er een gemeenschappelijk voorouder heeft bestaan van ezels, zebra's en quagga's (zie Wikipedia). (alle drie behorend tot het geslacht Equus).
Deze v.b. geven aan dat de variatiebreedte bij deze "soorten" behoorlijk groot kan zijn maar is geen bewijs voor een "voorouder". Hetzelfde geldt voor de duivenrassen/soorten die Darwin bespreekt.
Dit geldt m.i. eveneens voor de zgn. Darwinvinken die door Darwin zo beroemd geworden zijn. De problematische hantering van het soortbegrip speelt bij dit alles een grote rol. Soms zijn verschillende soorten organismen onderling kruisbaar maar leveren niet altijd vruchtbare nakomelingen op. Zoals bij paard en ezel.
Darwin zelf noemt af en toe de vleermuis als groot probleem als het om afstamming gaat. Geen wonder!
Hij kan beter uit de voeten met een vliegende eekhoorn als ontstaan uit de "gewone" eekhoorns.
Ook spechten zijn voor hem interessant. Er zijn spechtensoorten in Amerika die vooral vruchten eten en in de vlucht vliegen vangen.
De vele vormen van zwemvliezen bij watervogels en de soms verregaande reducties van vleugelvormen bij loopvogels en watervogels zijn dankbare v.b. voor zijn theorie. Echter, niet erg overtuigend omdat het slechts gedachte-experimenten zijn. Dit geldt natuurlijk eveneens voor de ledematen van o.a. walvissen, zeehonden en walrussen. Via otters en vele andere waterdieren kun je al deze waterzoogdieren als vanzelfsprekend uit landzoogdieren met vier poten laten ontstaan.
Het is volgens Darwin ook niet moeilijk om een zwemblaas van een vis (voor het drijfvermogen) te doen veranderen in longen voor de ademhaling. Dezelfde zwemblaas is daarnaast gedeeltelijk veranderd in onderdelen van het gehoororgaan bij sommige vissen. Kieuwen van vissen zijn veranderd en spleten in de zijkant van de nek bij zoogdieren. Vleugels van insecten ontstonden uit de tracheeën.
Het zal duidelijk zijn dat op grond van dergelijke fantasierijke redeneringen alle vormen van evolutie aannemelijk te maken zijn!
Als voorlopig onbegrijpelijke gebeurtenissen moeten volgens Darwin het voorkomen van lichtgevende en elektrische organen bij insecten en vissen zijn. Want deze organen zijn aanwezig bij zeer verschillende families en in verschillende lichaamsdelen.
Ook de ogen bij de Cephalopoden vormen een probleem. Ze zijn namelijk volgens eenzelfde
plan gebouwd als de ogen bij zoogdieren en mensen. Van een gemeenschappelijke voorouder kan echter geen sprake zijn. Cephalopoden (samen met Nautiloïden, Gastropoden, Tweekleppigen en Echinodermen) bestaan al vanaf het Cambrium/Ordovicium.
Darwin maakt een vergelijking met twee uitvinders onder de mensen die onafhankelijk van elkaar dezelfde uitvinding doen. Dat vereist wel intelligente ontwerpers!!
In een volgend hoofdstuk weerlegt Darwin vele punten van kritiek op zijn evolutietheorie. Alle door hem gebruikte argumenten komen steeds weer neer op kleine stapsgewijze veranderingen of natuurlijke fluctuaties in bouw en leefwijze van planten of dieren die na verloop van (lange) tijden een samengesteld en prachtig met elkaar gecoördineerd patroon van aanpassingen hebben bewerkstelligd.
De embryo's van diverse afdelingen gewervelde dieren laten zien dat allerlei grote groepen (klassen) in bepaalde fasen sterk op elkaar leken en dus (?) van gemeenschappelijke oorsprong zijn. Degenen die pleiten voor een plotseling ontstaan van ingewikkelde organen (poten, vleugels, longen, ogen etc.) moeten volgens Darwin wel de wereld van de wonderen betreden en die van de wetenschap ver achter zich laten. Helemaal mee eens!!
Het gedrag van koekoeken die hun eieren in nesten van andere soorten vogels leggen is natuurlijk heel interessant. Darwin kent vele overgangen. Sommige koekoeken broeden zelf hun eieren uit. En dat gaat even goed! Hier echter evenmin een afdoende verklaring voor de verschillen in gedrag. Naast het parasitair eierenleggen komen bij onze koekoeken nl. vele andere aangeboren gedragingen om de hoek kijken.
Darwin bespreekt vervolgens uitvoerig de hoogst ingewikkelde processen die plaats grijpen binnen koloniën van mieren en bijen. Veel boeiend onderzoek deed hij zelf bij deze dieren. Met slavenhouders onder de mieren en ratenbouw door de bijen. Gedragingen die welhaast onbegrijpelijk complex zijn. Maar via miljoenen met elkaar samenhangende stapjes moet het gelukt zijn. Maar veel wist Darwin nog niet: van bijentaal, voortplantingsgedrag, overervingspatronen en nog veel meer..........
Je moet ook het ontstaan van het hele bijenlijf en mierenlijf verklaren vanuit een "voorvader insect" dat minder gespecialiseerd was en solitair leefde.
Daarna komt de moeilijke vraag aan bod hoe het mogelijk is dat er geslachtelijke voortplanting is ontstaan vanuit oorspronkelijke soorten die zich ongeslachtelijk voortplantten. Eerst bespreekt Darwin vele kruisingsexperimenten tussen allerlei min of meer verwante soorten/geslachten. En de (on)vruchtbaarheid van de ontstane hybriden. De ontstane steriliteit kan een viertal oorzaken hebben:
- de zaadcel kan de eicel niet bereiken
- de stuifmeelbuis kan de embryozak niet bereiken
- de ontwikkeling van een embryo kan niet op gang worden gebracht
- het embryo kan vroegtijdig sterven.
Hoe de ongelofelijk diverse voortplantingssystemen, zowel bij planten als dieren, zijn kunnen ontstaan blijft ook voor Darwin één groot raadsel. Terwijl dit toch het uitgangspunt is voor heel zijn theorie van natuurlijke selectie!!
In het tiende hoofdstuk somt Darwin de redenen op waarom het geologisch archief zeer onvolledig is. De natuurlijke selectie was een uitroeiingsproces van geweldige omvang! Tijdens vele eeuwen zijn enorme verschuivingen in de aardlagen opgetreden. Vele fossielen zijn nooit gevonden of verdwenen.
Geweldige granitische gebieden zijn boven komen te liggen na wegspoeling van de bovenliggende aardlagen. Darwin blijkt bekend met grote bomen die nog rechtopstaand worden aangetroffen in meerdere aardlagen die over lange tijd zijn gevormd. Hij is zich ook bewust van continenten die in vroeger tijden als een archipel van "eilanden" in grote zeegebieden lagen. Vele tussenvormen kunnen daardoor verdwenen zijn. Archaeopteryx is voor hem bewijs voor de geringe kennis die we tot nu toe hebben van de fossielenwereld.
Trilobieten moeten ver voor het Cambrium hebben geleefd. Waar kwamen die perfect gebouwde geleedpotigen vandaan?
Nautilus, Lingula, weekdieren, ringwormen enz. verschillen niet of nauwelijks van de levende soorten nu. Toch behoren ze tot de vroegst levende dieren (Cambrium). Ze waren allemaal zeer ingewikkeld gebouwd en plantten zich geslachtelijk voort. De periode voor het Cambrium duurde langer dan de hele aardgeschiedenis daarna. En krioelde van leven. Er leefden enorme aantallen jagende dieren; ver voor het Cambrium.
Het Eozoon in Canada is dikker dan alle lagen vanaf het Paleozoïcum tot nu.
Darwin benoemt daarna vol overtuiging de 'tussenvormen' van grote diergroepen:
- tussen varken en kameel
- de Macrauchenia tussen evenhoevigen en onevenhoevigen, tussen paard en kameel.
(het Skelet werd ontdekt door Darwin in Patagonië)
- Hipparion tussen het huidige paard en oudere vormen. Hipparion was het 3-tenige paard; verspreid over de hele wereld.
- Typotherium; ter grootte van een schaap; had overeenkomsten met knaagdieren zoals haas en konijn. Ook wel genoemd
Mesotherium als basistype van alle zoogdieren.
- de Sirenia (Doejong en Lamentijn) die geen enkel rudiment van achterste poten bezitten en Halitherium met gereduceerd
dijbeen en heupkom
- Zeuglodon en Squalodon als tussenvorm met de walvissen
Zeuglodon of Basiliosaurus was een tandwalvis met zeer kleine achterpoten.
Squalodon: een tandwalvis, verwant aan de rivierdolfijn.
- Archaeopteryx en vogels
- Compsognatus en vogels.
Compsognatus was een kleine sauriër; met een skelet verwant aan die van vogels (?).
Voor wat betreft het evolutieverhaal over paarden (een paradepaardje van de theorie):
Eohippus was 25 tot 45 cm hoog en had 5 tenen aan voor- en achterpoten. Sommige met proto-hoefjes. Het was een goede renner op grasvlaktes. Bij nader inzien blijkt het geen paard. Het dier behoort tot de Palaeotheriidae; een fam. verwant aan de paarden.
Het oudst paardengeslacht blijkt nu te zijn: Sifrhippus. Een diertje van ong. 25 cm. hoog met eveneens 5 tenen en proto-hoefjes. Levend in bosgebieden in Amerika en België.
(Het is goed om het hele verhaal over de evolutie van paardachtigen te vergelijken met de huidig levende kleine antilopen en herten zoals dikdiks, duikers, poekoes en muntjaks. Dit zijn wel allemaal dieren die behoren tot de evenhoevigen; dus ze bezitten altijd 2 echte hoeven. Hun voorouders leven vanaf het Plioceen).
In het daarop volgende hoofdstuk bespreekt Darwin het vraagstuk van de geografische verspreiding van organismen. Een netelig onderwerp voor Creationisten en Schriftgelovigen. Veel vragen en onopgeloste kwesties blijven over om te beantwoorden door wetenschappers die het begin van de bijbelse openbaring serieus nemen. Maar ook de schepper van de evolutietheorie stelt vast dat er op dit punt vele raadsels zijn. Vooral als je let op de verspreiding van vissen, krabben, kreeften etc. over de wereldzeeën.
Een moeilijk probleem vormen de (zoog)dieren die alleen op oceanische eilanden voorkomen. Zijn ze daarop afzonderlijk geschapen? Soms komen er wel vliegende zoogdieren voor, zoals twee soorten vleermuizen op Nieuw Zeeland.
De moeilijk te verklaren verspreiding van de buideldieren in Australië (en de afwezigheid van de placentale zoogdieren) en Zuid-Amerika laat Darwin buiten beschouwing.
Darwin bespreekt daarna de vele voorbeelden van verwantschappen van organismen op het terrein van morfologie, embryologie en rudimentaire organen. Dit vormt voor Bijbelgelovige mensen geen echt probleem. We behoeven ons lichaam maar met die van aapachtigen, vogels, kikkers en zelfs vissen, insecten en ringwormen te vergelijken om overtuigd te raken van de overvloedige blijken van overeenkomsten in structuren tussen de meest uiteenlopende afdelingen van het dierenrijk en menselijk organisme. De genetica heeft bovendien aangetoond dat er op elementair niveau sprake is van overeenkomsten tussen alle levende organismen van virussen en bacteriën t/m de mens. Die overeenkomsten blijken uit voedselrelaties en de regulering door DNA, RNA's en eiwitten. Voor Darwin is dit alles bewijs voor de gemeenschappelijke afstamming van alle organismen. En de meeste biologen volgen hem daarin.
Een sterk bewijs voor zijn theorie levert volgens hem het feit dat de bloembladen, kelkbladen, meeldraden en stampers gemetamorfoseerde bladeren zijn. Dat blijkt ook uit hun inwendige structuur. Je zou natuurlijk hetzelfde kunnen beweren over de vele skelet- en spieronderdelen bij gewervelden!
Darwin beschrijft verder de hoogst merkwaardige ontwikkelingen via verschillende stadia bij Rankpotigen en bij de kever Sitaris. Dit in verband met diverse larvale stadia bij insecten. Volgens Darwin kunnen larvale en embryologische stadia voorvaderlijke stadia van nu levende krabben, kreeften, vissen, vogels, reptielen enz. geweest zijn. Een hoogst ongeloofwaardige veronderstelling lijkt me!
Hij noemt zeer merkwaardige v.b. van rudimentaire organen:
- walvisfoetussen met tanden in de bek die later verdwijnen
- verborgen vleugels bij kevers onder vergroeide dekschilden
- rudimentaire tepels bij het geslacht Bos (rund)
- melk afscheidende klieren bij zoogdieren
- larven in de buik van Salamandra atra die kieuwen hebben terwijl ze hoog in de bergen leven
- de Boa constrictor met rudimentaire achterpoten en bekken.
Darwins conclusie: onbruik van delen leidt er toe dat ze kleiner worden. Het resultaat wordt erfelijk.
Op het terrein van diergedrag hanteert hij dezelfde overtuiging maar dan vaak in omgekeerde richting.
Vrij sterke rudimenten dus van de evolutieleer van Lamarck!
Als ik het boek 'The origin of species.........' in z'n geheel probeer te overzien vind ik het meest opvallende dat Darwin het vrij simpele idee van natuurlijke selectie hanteert als alles bepalende factor die moet hebben geleid tot het ontstaan van alle organismen vanuit één gemeenschappelijke voorouder.
Deze gedachte blijkt vooral gebaseerd op de resultaten van kunstmatige selectie door mensen binnen de groepen van grassen, granen, rozen, honden, paarden, schapen, geiten, konijnen enz. enz.
De selectie door de mens was echter altijd doelgericht. Men wilde grotere productie, gezondere en sterkere organismen of dieren die beter geschikt waren voor uiteenlopend, doelmatig gedrag.
Voor zover ik weet leidde dit niet of nooit tot overschrijding van soort- of geslachtgrenzen. Altijd waren de nakomelingen tot in verre geslachten onderling kruisbaar en leverden vruchtbare nakomelingen op. Denk maar aan onze honden.
Dit even afgezien van uitzonderlijke kruisingen tussen dieren van verschillend geslacht (paard x ezel; geit x schaap). Terwijl Darwin van mening is dat de 'strijd om het bestaan' voldoende waarborgen biedt voor de overschrijding van de grenzen tussen verschillende geslachten, families , orden en afdelingen. Zelfs die tussen hoofdafdelingen en rijken.
Darwin werd niet gehinderd door kennis van de erfelijkheidswetten die later door Mendel werden ontdekt. Die brachten zijn theorie aan het wankelen. Helemaal toen de bouwstenen voor de erfelijkheid werden beschreven: DNA, RNA's, eiwitten, hormonen en duizenden andere organische stoffen.
Er daagde nieuwe hoop toen biologen de mogelijkheden van muterende genen vaststelden. Die mutaties waren wel bijna altijd negatief voor functies en voortplanting van de organismen maar af en toe bleken ze waardevol. Dit zou voldoende moeten zijn om het ontstaan van alle soorten etc. overeind te houden. Oneindig vele kruisingsexperimenten werden verricht waarbij zoveel mogelijk mutanten werden gekweekt. Zelfs experimenten met mensen x aapachtigen werden (vaak uitgevoerd in het geheim) niet afgewezen. Al die miljoenen of zelfs miljarden nakomelingen van b.v. Drosophila melanogaster (bananenvliegje; welbekend van elke vuilnisbak met rottend fruit) leverden slechts vliegjes op die minder goed waren toegerust dan de vliegjes van het wildtype. Overschrijding van de soortgrens werd voorzover mij bekend niet vastgesteld.
Het doen ontstaan van nieuwe soorten/geslachten is, voor zover ik weet, tot nu toe nooit echt bereikt.
Het is daarom dat we welhaast moeten vaststellen dat Darwin met zijn verbluffende kennis van de levende natuur (en de toenmaals bekende aardgeschiedenis) naast een groot natuurwetenschapper een bewonderenswaardige fantasie bezat die met een enkele formule (selectie tussen rassen en variëteiten) miljoenen mensen wist en weet te begeesteren.
Een hoge vlucht van fantastisch denken is vele natuurwetenschappers niet vreemd!
Wetenschap alleen vervult niet alle verlangens van een intelligent mens. Dromen zorgen voor aanvullend vermaak.
Maar als Christen-theologen meelopen in deze optocht van gefantaseerde wetenschappelijkheid raken de fundamenten van onze kosmos aan het wankelen.